Language Checklist/Nederlands
- Ben je student?
- Ja, ik ben student.
- Nee, ik ben geen student.
- Waar ga ik nu heen?
- Je gaat nu naar school.
- Je gaat niet werken.
- Wat zei hij tegen ons?
- Hij zei aardige dingen tegen mij.
- Hij zei geen nare dingen tegen jou.
- Wie weet alles over wetenschap?
- Ze weet niet alles over wetenschap.
- Maar ze weet wel alles over geschiedenis.
- Hoe zag het eruit?
- Het zag er niet best uit.
- Eigenlijk zag het er vreselijk uit.
Wat hebben jullie met al die boeken gedaan?
We hebben de boeken aan niemand verkocht.
We hebben de boeken aan de kinderen gegeven.
Hoe vaak had de jongen die film al gezien?
De jongen had die film al meerdere keren gezien.
De jongen had die film niet slechts één keer gezien.
Wat zullen ze daar doen?
Ze zullen ons waarschijnlijk een gunst bewijzen.
Ze zullen ons nooit in de steek laten.
Waar zou je vriend willen blijven?
Mijn vriend wil absoluut thuisblijven bij zijn familie.
Mijn vriend wil niet met je uitgaan.
Wat moet ik morgen doen?
Je komt morgen bij ons eten.
Je moet niet de hele nacht doorstuderen.
Wanneer moet die man de kamer verlaten?
Die man moet de kamer onmiddellijk verlaten.
Die man moet niet langer naar ons gesprek luisteren.
Hoe snel kan een hond rennen?
Een hond kan heel snel rennen.
Maar een hond kan niet sneller rennen dan een auto.
Wat zouden mensen kunnen doen om de wereld een betere plek te maken?
Mensen zouden altijd de waarheid kunnen spreken.
Mensen zouden kunnen stoppen met liegen.
Denk je dat dit boek iets nodig heeft?
Ja, ik denk dat dit boek een nieuwe kaft nodig heeft.
Nee, ik denk niet dat dit boek iets nodig heeft.
Waarom verstoppen mijn kinderen zich?
Omdat je kinderen misschien een geheim hebben.
Ze willen het misschien aan niemand vertellen.
Zijn er genoeg drankjes voor het feest?
Ja, er is van alles genoeg.
Nee, iemand moet bier uit de winkel halen.
Hoe laat begint de film?
De film begint niet eerder.
De film begint om 22:00 uur.
Welk cadeau moet ik voor mijn moeder kopen?
Je moet die mooie ring voor je moeder kopen.
Je moet die lelijke kleren niet kopen.
Hoe oud is je vader?
Mijn vader is niet zo oud.
Mijn vader is negenenveertig jaar oud.
Hoeveel gaat deze auto kosten?
Hij gaat niets kosten.
Het is een cadeau van het bedrijf.